Citeren als:

An De Schrijver, Jeroen Heyvaert & Jan Mertens (2022). Een tuin voor vogels. Website Biodivers Zorggroen HOGENT, www.biodiverszorggroen.be en www.biodiverszorggroen.nl

Vogels komen in elke tuin voor, maar in de ene tuin talrijker dan in de andere. In een tuin kan je door een doordachte plantenkeuze, door het aanbrengen van structuur en door een vogelvriendelijk beheer verschillende vogelsoorten in de tuin verwachten. Welke soorten er komen hangt natuurlijk ook af van de ruimere omgeving waarin de tuin zich bevindt. In dit artikel leggen we uit hoe je van je tuin een veilige thuis kan maken voor tal van vogelsoorten.

In koude winters zijn standvogels zoals de merel blij met wat bessen van de lijsterbes! In tuinen kan je makkelijk tal van bessen en zaden voorzien om tuinvogels door te winter te helpen. Foto via Pixabay

Volgens een publicatie van Britse en Tsjechische onderzoekers is het aantal vogels in Europa tussen 1980 en 2017 met zo’n 600 miljoen gedaald. Dat betekent dat één op de zes vogels verdween in Europa. Vooral vogelsoorten uit het landbouwgebied doen het erg slecht. Voor bosvogels is er beter nieuws. Doordat het bosbeheer de voorbije decennia niet enkel meer gericht is op de economische productie van hout, maar ook op het ecologische en op het sociale aspect, profiteren bosvogels mee. Sommige van deze vogelsoorten zoals grote bonte specht en boomklever zien we dan ook meer en meer opduiken in tuinen.

Maar ook sommige van onze tuinvogels delen in de klappen. De huismus, ooit een van de meest voorkomende tuinvogels, laat met meer dan de helft de grootste daling optekenen. De goede cijfers van bosvogels laten zien dat aanleg en beheer van biotopen wel een belangrijk verschil kunnen maken. En zo kunnen we vogels dus ook via onze tuinen  helpen!

De essentie van een vogelvriendelijke tuin is dat de juiste hulpbronnen aanwezig moeten zijn en dit gedurende de ganse periode dat de vogels in de tuin verblijven.  Hulpbronnen zijn alle noodzakelijke voorwaarden om te kunnen overleven, denk maar aan voedsel, nest- en schuilgelegenheid. Daarom moeten we leren kijken vanuit het perspectief van vogels. Elke vogelsoort heeft zo zijn eigen specifieke voorkeuren. Om een vogelvriendelijke tuin te creëren is het dan ook belangrijk om deze te kennen.  We maakten deze analyse, je kan er over lezen in ons artikel ‘kijken door de ogen van vogels‘.

Gebaseerd op deze animal-aided-design-analyse presenteren we hier negen basiskwaliteiten die van de tuin een robuust biotoop kunnen maken waar tuinvogels een veilige thuis vinden. Zo’n vereiste kan je beschouwen als een ‘conditio sine qua non – een noodzakelijke voorwaarde zonder welke iets niet kan geschieden’. Is aan deze vereiste niet voldaan, dan kunnen vogels in een zogenaamde ‘ecologische val’ gelokt worden waarbij je meer kwaad dan goed doet en heb je dus zeker geen vogelvriendelijke tuin. Aan deze vereisten kan ofwel in de tuin zelf, ofwel in de ruimere omgeving voldaan zijn, want vogels hebben vleugels en zijn dus niet enkel gebonden aan jouw tuin.

1. Biotopen en planten die zorgen voor een variatie aan plantaardig en dierlijk voedsel

Het plantaardig dieet van de meeste tuinvogels is gevarieerd en bestaat uit zaden, bessen, vruchten, … Om een grote diversiteit aan vogels in jouw tuin voedsel aan te bieden is het dus nodig om een grote diversiteit aan bloemen, struiken en bomen aan te planten die een grote variatie aan smakelijke bessen en zaden van verschillende groottes produceren.

De voorkeur gaat uit naar (neo-)inheemse soorten omdat deze beter aangepast zijn aan ons klimaat en ook meer insecten aantrekken  die dan weer geschikt zijn voor het dierlijke dieet. Ga bladluizen en rupsen die op deze plantensoorten komen dus zeker niet meteen te lijf met (ecologische) middelen. Ze zijn een belangrijke voedselbron voor de kuikens en vaak is de schade aan jouw plantenniet al te groot of van korte duur. We maakten een aantal lijstjes met onze favoriete soorten die kunnen gebruikt worden in een vaste plantenborder, in hagen en houtkanten, bloemenweide en bloemenakker en ook een aantal interessante bomen. Telkens wordt de bloeitijd aangeduid (dan weet je wanneer insecten worden aangetrokken), en de tijd wanneer de vruchten en bessen rijp zijn. Belangrijk hierbij is om een brede bloeiboog te voorzien. Dit betekent dat er zowel in het voorjaar als in de zomer en het najaar bloeiende planten aanwezig zijn om zo veel mogelijk insecten aan te trekken. Verder moet er voor gezorgd worden om een in de tijd zo breed mogelijke spreiding van rijpe bessen en zaden te hebben.

Zie hier onze lijst van favoriete bomen, heesters, sneukelstruiken, vaste planten en bollen en knollen.

Vogels die ’s winters kunnen komen snoepen van bessen en zaden.

Klik op de afbeelding voor meer informatie.

2. Water om te drinken en in te badderen

Vogels hebben water nodig om te drinken, maar ook om te ‘badderen’. Vogels nemen af en toe een bad om de veren schoon te maken, maar ook om er een laagje vet over te smeren dat afkomstig is van hun stuitklier (een klier die zich net boven de staart bevindt). Dat vet verspreidt zich makkelijker wanneer het verenkleed nat is en zorgt voor een waterafstotend en isolerend laagje.

Water is dus belangrijk in een vogelvriendelijke tuin. Vogels houden wel liefst van ondiepe plassen die je kan imiteren in een platte schaal of bord. Zorg dat het diepste punt maximaal 5 cm is.

3. Vogelvoeder op verschillende plekken in de tuin

Tijdens strenge winters kan het belangrijk zijn om nog extra zaden en vruchten en eventueel vet aan te bieden. Momenteel zijn er al heel wat soorten vogelvoer op de markt. Van de traditionele zaadmixen en vetbollen tot  vogelpindakaas. In de webshop van vivara of natuurpunt vind je hoogkwalitatieve voeding. Je kan ook zelf vetbollen maken. Lees er hier over hoe je dat kan doen.

Om zoveel mogelijk tuinvogels aan te spreken varieer je best in het aangeboden voedsel en voorzie je meerdere voederlocaties. Zo kan je zaad en graan op de grond tussen struiken strooien voor schuwere vogels zoals merel, vink en heggemus. Belangrijk is wel om deze vogelvoederzones af te schermen voor katten (zie ook verder). Dat kan je eenvoudig door deze zone af te bakenen met een kippengaas- of andere soort draad. Strooi je vogelvoer ook best voor het middaguur en strooi niet te veel in één keer zodat het volledig wordt opgegeten en ’s nachts geen ongewenste gasten als ratten aantrekt.

Een voedertafel met zonnebloempitten en pindanoten wordt dan frequent bezocht door pimpel- en koolmezen.  Ook vetbollen zijn geliefd bij pimpel-, kool- en staartmezen. Vogelpindakaas op de bast van een boom of in een glazen bokaal is dan weer heel aantrekkelijk voor de Grote bonte specht, boomkruiper en boomklever.

In de wetenschappelijke literatuur is er wel wat controverse rond het plaatsen van vogelvoedertafels. Zie daarover meer info in ons artikel ‘vogelvoedertafel, goed idee of toch beter niet?‘. Als we de voor- en nadelen tegen elkaar afwegen lijkt het plaatsen van een vogelvoedertafel ons wel aan te raden, zeker in een zorgtuin of in tuinen van scholen. Belangrijk hierbij is dat een voedertafel slechts een onderdeeltje is van een vogelvriendelijke tuin en dat dit gecombineerd dient te worden met andere maatregelen.

Vogels die ’s winters kunnen komen snoepen van de vogelvoedertafel.

Klik op de afbeelding voor meer informatie.

4. Dichte struiken, klimplanten en/of bomen waar vogels veilig hun nest kunnen maken en in kunnen schuilen

Vogels hebben een verschillende voorkeur voor de locatie van hun nest (zie ons artikel ‘kijken door de ogen van vogels‘). Soorten als boomklever en grote bonte specht broeden quasi nooit in tuinen, maar hebben nood aan een bos terwijl tuinsoorten als koolmees en pimpelmees al blij zijn met één of enkele bomen. Roodborst, heggemus en lijster maken hun nesten liefst in dichte struiken en hagen.  Merel, winterkoning, mussen en spreeuwen nesten graag tussen klimplanten of in spleten van oude stalletjes of onder pannen. De vogels die hun nest in struiken bouwen geven vaak de voorkeur aan stekelige struiken. Daar zijn ze veiliger voor predatoren als katten, steenmarter of roofvogels. Ook vogels die hun nest niet bouwen in struiken profiteren hiervan als schuilgelegenheid.

Zie onze lijst met favoriete bomen, heesters en klimplanten.

5. Nestkasten, maar voor de juiste soorten en in het juiste model

Pimpelmees en koolmees broeden vrij frequent in nestkasten, ringmus en grauwe Vliegenvanger af en toe. De meeste andere vogelsoorten prefereren echter een natuurlijke nestplaats in bomen of dichte struiken, alhoewel sporadisch er wel eentje in een nestkast zal broeden. Het loont dan ook wellicht niet echt de moeite om te investeren in nestkasten van andere vogelsoorten.

Vogelsoorten hebben een verschillende voorkeur voor de grootte en de invliegopening van de nestkast. Uitgebreide informatie hierover vind je op de websites van Natuurpunt.be of Vogelbescherming Vlaanderen. Het Belgische bedrijfje Ecovery maakte een geweldige nestkastwijzer om je wegwijs te maken welke nestkast best voor jouw tuin geschikt is. Deze wijzer houdt o.a. rekening met het aanwezige voedsel in je tuin en met de ruimere omgeving.

Welke nestkast voor welke tuinvogel?

KOOLMEES

Koolmezen geven de voorkeur aan een nestkast met een invliegopening van zo’n 32-35 mm en een binnenmaat van 12x12x25cm. Deze nestkast wordt ook gebruikt door Ringmussen.

PIMPELMEES

Pimpelmezen geven de voorkeur aan een iets kleinere invliegopening, zo’n 28 mm.

GRAUWE VLIEGENVANGER

Grauwe vliegenvanger verkiest een halfopen nestkast.

RINGMUS

Een goede maat voor een ringmussenkast is 12x12x28 centimeter en een invliegopening van 40 mm. Een vergelijkbare kast als van een koolmees, alleen met een grotere invliegopening.

Idealiter oriënteer je de nestkast naar het noordoosten en plaats je deze op minstens 2m hoogte. Voor soorten die lager in struiken broeden kan je ze lager hangen. Let wel op dat de kat er niet aan kan! Kies dan om deze in doornige struiken op te hangen. Hang je nestkast niet net onder of net boven een tak. Deze kan gebruikt worden door de kat om tot dicht bij de nestkast te komen. Zorg ook voor een vrije aanvliegopening. Oriënteer deze dus niet naar een gebouw.

Lokaliseer je nestkast zodat deze goed zichtbaar is, maar toch op een rustige plek zodat de vogels niet gestoord worden. Indien ze te veel gestoord worden zullen ze de nestkast verlaten. Je kan ook zelf nestkasten maken.

Een nestkast vraagt per jaar een onderhoudsbeurt tijdens de winterperiode. Daarbij maak je het nest leeg, en kuis je het uit met  kokend water zodat eventuele parasieten gedood worden

6. Takjes, bladeren en gemaaid gras om te gebruiken als nestmateriaal

Vogels gebruiken allerhande materialen voor het maken van hun nest of voor de inrichting van de nestkast: takjes, bladeren, mos, gras, modder, veren, en zelfs honden- of kattenhaar, … Laat in je tuin takjes, bladeren en gemaaid gras hier en daar liggen of meng dit materiaal tussen de plantenborder en struiken.

Ga niet speciaal honden- en kattenhaar in de tuin leggen als nestmateriaal. Vogels gebruiken dat maar al te graag voor hun nestje maar onderzoek van de Vogelbescherming heeft uitgewezen dat dit gevaarlijk kan zijn voor jonge vogeltjes. Er zitten namelijk vaak gifstoffen van anti-vlooien of anti-teken middelen in de haren. Ook het gebruik van droogtrommelpluis wordt aangeraden als nestmateriaal. Maar hier raden we ook aan om voorzichtig mee te zijn, want via droogtrommels blijken veel microplastics  in het milieu verspreid te worden, en deze zitten dan wellicht ook in het droogtrommelpluis.

7. Schuilplekken voor vogels

Om vogels aan te trekken is het ook belangrijk om plekken te voorzien waar ze kunnen schuilen en kunnen rondscharrelen. Schuilplekken die vogels aantrekken zijn een strooisellaag, een takkenril of een composthoop. Ook insecten schuilen er graag (wat dan weer dierlijk voedsel levert). Ook in bloemrijk graslandje of een stukje gazon met lang gras is top voor insecten. Sprinkhanen zitten graag in lang gras want ze eten grashalmen. Lees er meer over in ‘een tuin voor sprinkhanen‘ en ‘kijken door de ogen van sprinkhanen‘.

8. De tuin is catproof

Katten zijn echte jagers en jagen graag op vogels. Zorg daarom steeds voor voldoende schuilgelegenheden zoals dichte (doornige) struiken in je tuin. Hang je nestkast ook op een veilige plaats en overweeg een kattenkraal rond de bast van de boom te hangen zodat je kat niet tot in de boom kan klimmen.

Maatregelen voor een vogelvriendelijke tuin.

Klik op de afbeelding voor meer informatie.

9.  Een vogelvriendelijk beheer

In de herfst maken veel mensen hun tuin klaar voor de winter. Het gazon wordt een laatste keer kort gemaaid, hagen, struiken en uitgebloeide plantenstengels worden gesnoeid, afgevallen bladeren worden bijeengeharkt, …  Om jouw tuin in de winter aantrekkelijk te houden voor vogels worden sommige van deze onderhoudstaken best (gedeeltelijk) uitgesteld tot het voorjaar:

 

Niet snoeien tijdens broedseizoen

Dat is voornamelijk tijdens de maanden april tot en met juli maar varieert van soort tot soort – zie ons artikel ‘kijken door de ogen van vogels’

Snoei hagen en heesters gefaseerd

Snoei in het najaar ook niet alle hagen en struiken in 1 keer, want het zijn ideale schuilplaatsen. Snoei de overige het jaar nadien of in het voorjaar.

Snoei de plantenborder gefaseerd

Snoei geen of slechts een deel van de uitgebloeide plantenstengels in je vaste plantenborder. De zaadjes worden gegeten door zaadeters. Dit geeft trouwens ook een mooi wintereffect, zeker als er sneeuw of ijs aanhangt!

Maai je bloemrijk graslandje gefaseerd

Dit wil zeggen dat je minstens 20 % laat staan dit jaar – vogels vinden er zaadjes en insecten – je kan er creatief mee aan de slag door mooie vormen te maaien.

Hark afgevallen bladeren onder bomen, struiken of haag

Afgevallen bladeren kan je onder struiken of tussen andere beplanting harken want er leven tal van insecten in die als voedsel voor vogels kunnen dienen.

Creëer schuilplekken

Hergebruik je snoeihout in de tuin door bv. een takkenril te maken. Ook vogels vinden er een schuilplek

Vorige Volgende