Citeren als:

An De Schrijver, Jan Mertens & Catherine De Vos (2022). In welk landschap voelen we ons best? Website Biodivers Zorggroen HOGENT, www.biodiverszorggroen.be en www.biodiverszorggroen.nl.

In de literatuur van landschaps- en tuinarchitectuur is er heel wat gepubliceerd over de voorkeur van mensen voor open of gesloten landschappen. In een open landschap heeft de gebruiker een mooi overzicht over het gehele landschap. In een gesloten landschap, zoals een bos zonder open plekken, is er theoretisch meer geborgenheid en heeft de gebruiker mogelijk een veiliger gevoel.

Uit het artikel van Dosen & Oswald (2016), een uitgebreide reviewstudie van de voorkeur van mensen voor beide types landschap, blijkt dat open landschappen (high prospect landscapes genoemd in Engelstalige literatuur) vaker als positief, terwijl gesloten landschappen (high refuge landscapes) vaker als neutraal of negatief worden ervaren (zie de figuur hieronder voor de precieze gegevens).

We vroegen ons af opener landschappen ook zouden leiden tot een betere gezondheid? We screenden daarom zorgvuldig de wetenschappelijke literatuur voor studies die expliciet naar het effect op gezondheid keken. We maakten daarbij onderscheid tussen effecten op mentale en fysieke gezondheid.

 

Zijn opener landschappen beter voor de gezondheid?

Uit onze analyse blijkt dat opener landschappen met hier en daar bescherming van bomen of of van struiken, naast een hogere voorkeur, ook een positiever effect hebben op zowel de mentale als de fysieke gezondheid in vergelijking met meer gesloten landschappen. Voor sociale gezondheid konden we geen studies vinden.

Een gedeeltelijk gesloten landschap verhoogt wel de spanning en de verrassing in een landschap, maar als het landschap té gesloten is kunnen we ons angstiger voelen en kunnen gevoelens van gevaar opgeroepen worden. De studies van Gatersleben & Andrews (2013) en van Hussain et al. (2019) toonden bijvoorbeeld aan dat de hartslag en/of de bloeddruk verhoogt in meer gesloten landschappen. Een volledig open landschap biedt anderzijds maar weinig om te ontdekken en ook weinig bescherming. Een mix tussen beide, dus open parkachtige landschappen die bestaan uit graslanden met hier struiken en bomen lijkt best te zijn.

Resultaten van onze analyse in twee figuren - klik op de figuur voor meer informatie

Hoe komt dat dan?

De verklaring die wetenschappers hiervoor geven is dat de mens, doorheen de evolutie, een voorkeur ontwikkeld heeft voor dit type landschap. Ze voorzagen onze voorouders in voedsel, terwijl er toch nog wat beschutting was en het er relatief veilig was voor roofdieren.

Er is ook nog een tweede verklaring: natuurlijke open landschappen zorgen ervoor dat onze hersenen op de juiste manier afgeleid worden, waardoor we minder gaan piekeren. Dit is een belangrijke bevinding, want piekeren wordt sterk in verband gebracht met depressie. Blootstelling aan natuur zorgt voor een shift in aandacht, van een interne naar een externe  focus, door een toegenomen focus op aspecten van de omgeving die niet direct gerelateerd zijn aan het zelf. Hierdoor kunnen sommige mensen wegraken van hun neiging om te vervallen in negatieve gedachten en een negatief zelfbeeld. Het reviewartikel van Bratman en collega’s geven een mooi overzicht van deze thematiek (geschreven in 2015, ondertussen is er weliswaar al heel wat nieuw onderzoek verschenen maar dit blijft toch een basisartikel).

In een erg gesloten landschap voelen we ons minder goed dan in een opener landschap. We hebben graag overzicht over het landschap maar toch vinden we het prettig als er voldoende beschutting te vinden is.

En wat betekent dat voor de biodiversiteit?

Zo’n opener landschap heeft ook voor de biodiversiteit troeven. Een hogere diversiteit aan biotopen geeft een hogere complexiteit/heterogeniteit in de groene ruimte. Op landschapsschaal betekent dat bijvoorbeeld dat er zowel bos, hagen- en houtkanten, bloemrijk grasland en/of vijvers zijn. In een tuin betekent het dat er bijvoorbeeld een boom, een haag of struiken, een bloemrijk graslandje, een vaste plantenborder en/of een waterelement zijn.

Een hoger aantal biotopen heeft ook een positieve invloed op de diversiteit aan soorten. Dramstad et al. (2001) vonden een mooi verband tussen de heterogeniteit in het landschap en de diversiteit aan vogels en aan planten. Dit komt omdat elk type biotoop  een heel ander pallet  geassocieerde soorten aantrekt en omdat er heel wat soorten zijn die meer dan één biotoop nodig hebben. Een diversiteit aan biotopen creëert eveneens automatisch een diversiteit aan structuur. Hoge en lage vegetaties wisselen elkaar af. Dramstad et al. (2001) toonden aan dat voor vlinders en hommels niet zozeer de diversiteit aan biotopen cruciaal zijn, maar wel o.a. de structuurovergangen in het landschap, dus de overgangen tussen verschillende biotopen. Dat is ook weer erg logisch. Insecten zijn koudbloedige dieren die houden van diversiteit aan structuur (warme zonnige plekjes om op te warmen tijdens de ochtend en op koude dagen, en schaduwrijke plekjes om af te koelen op warme dagen). Ze hebben ook nood aan voldoende nectar om hun energiepijl op te krikken en actief te kunnen zijn.

Vorige Volgende